De emotionele sfeer in de gemeenteraad schommelde tussen diep verdriet en een broeierig gevoel van opstandigheid. De dood, wanneer die ouderen of zieken treft, kan met een sombere berusting worden ontvangen. Maar wanneer die een moeder in de bloei van haar leven en drie kinderen, wier leven nog maar net begonnen was, wegneemt, creëert de onrechtvaardigheid van de situatie een unieke vorm van spirituele spanning. Familieleden leunden tegen de koude muren van de raadzaal, hun gezichten getekend door de uitputting die alleen voortkomt uit een verdriet dat zo diep is dat het de slaap onmogelijk maakt. Het ongeloof was voelbaar. Hoe kon een gezin in slechts zeven dagen van het hoogtepunt van geluk – het bezit van een eigen huis – naar de diepte van het graf afglijden? De ironie van de situatie was een bittere pil die de rouwenden niet konden slikken.
Naarmate de uren verstreken, strekte de rij mensen die hun respect wilden betuigen zich uit tot buiten de deur en de straat op. Het was een stille wake van een stad in rouw. Mensen uit alle lagen van de bevolking – lokale winkeliers, leraren, boeren en ambtenaren – stonden zij aan zij. Ze deelden verhalen over Drielles vriendelijkheid en haar vurige toewijding aan haar kinderen. Ze herinnerden zich Helena’s lach en de manier waarop João Lúcio naar de buren zwaaide. Deze kleine, alledaagse herinneringen werden heilige relikwieën, de enige dingen die overbleven van een familie die slechts achtenveertig uur eerder nog bruisend en vol leven was geweest. De tragedie diende als een sombere katalysator voor de gemeenschap om na te denken over haar eigen onderlinge banden, wat een golf van empathie teweegbracht die sociale barrières oversteeg.